Ik hang gebreide ladders in de bomen. Het lijkt een uitnodiging om erin te klimmen, maar dat zal niet gaan. De droom blijft een droom, de wens een wens.

Ik droom ervan in bomen te klimmen, hoog in de takken en niet bang te zijn om te vallen, als een eekhoorn. Of als een vogel van ver aan komen vliegen en landen op de hoogste tak. Met gemak. Of ik sta op de grond en spreid mijn armen, blaas mijn adem uit waardoor ik opstijg. Met zwembewegingen kom ik vooruit in de lucht. Ik maak duikvluchten door mij helemaal uit te strekken en net op tijd maak ik een zwaai en stijg weer pijlsnel omhoog. Zo speel ik boven het plein waar alle mensen lopen. Ze merken mij niet op, want het is heel gewoon wat ik doe.

Op de Dries in Opdorp hang ik twee ladders; ze zijn slap en disfunctioneel. Het zijn beelden van ladders, zacht bewegend in de wind.